Het is een snikhete dag, en ik loop het lange pad af dat naar de kleine kerkruïne leidt waar ik naartoe wil. Ondanks de hitte houd ik het tempo erin en als ik omkijk, is het huis van mijn Ierse vrienden een witte stip geworden. Boven me staat de zon te zinderen aan een strakblauwe hemel. Het droge veenlandschap lijkt te zuchten onder de on-Ierse temperaturen.
Ik sla linksaf een kleiner paadje in en klim over het roestige hek aan het einde ervan. Op een verhoging in het weiland ligt het eeuwenoude kerkje, waar ooit een abt de scepter zwaaide over een orde monniken. Toen de rijke familie van het dichtstbijzijnde dorp de mannen weg wilde hebben omdat ze het meer eromheen droog wilden leggen, sprak de abt een vloek uit over hen.
Het meer werd drooggelegd en ik loop over de voormalige bodem ervan naar het kerkje, waar de hele familie in begraven ligt. Binnen acht maanden waren alle vervloekten dood en begraven, tot de baby aan toe.
Ondanks het verhaal staat de ruïne er sereen bij. Ik loop om het Keltisch kruis heen, dat honderden jaren intact is gebleven, en klim op het dak van de graftombe van de echtgenote, van wie men zegt dat haar lichaam nooit ontbonden is omdat ze in veengrond ligt.
Op het dak staat nog een muurtje overeind. Het werpt precies de schaduw die ik zoek en ik ga erachter zitten. Door het gat dat ooit een raam was kijk ik uit over de zich uitstrekkende velden. Het is adembenemend stil, op het geloei van een enkele koe na. Ik denk aan niets, ik hoef niets, ik kijk naar het glooiende landschap. Dan wordt de stilte verbroken. Ik hoor gebrom. Het komt dichterbij. Het wordt luider.
Ik wil heel graag onzichtbaar zijn, maar weet dat het te laat is. Ik ben gezien.
Ik kijk door het gat naar links en zie een rode auto aan komen hobbelen. Vlak voor het roestige hek houdt de auto stil. Een man stapt uit en loopt om de auto heen. Hij steekt zijn handen in zijn zakken en gaat op de motorkap zitten.
Dan kijkt hij op en staart me recht in de ogen. Geschrokken trek ik mijn hoofd terug achter het muurtje en doe hetzelfde met mijn benen. Ik wil heel graag onzichtbaar zijn, maar weet dat het te laat is. Ik ben gezien, opgemerkt. De man hangt tegen zijn voertuig aan en kijkt onafgebroken naar het gat in mijn muurtje. De stilte wordt broeierig en geladen.
Ik kijk achter me, waar een weiland ligt, vol met stieren. Het is bijna onmogelijk om daar doorheen terug te lopen, en het is het enige alternatief. Ik besluit te wachten tot de man weggaat. Misschien kwam hij wel om na te denken, of om van het landschap te genieten, en stapt hij zo weer in zijn auto.
Ik wacht. En wacht. De zon draait langzaam en mijn schaduw verplaatst zich. Zweetdruppels lopen van mijn borsten naar mijn buik. Het kriebelt, maar ik durf niet te krabben. Ik durf me niet te bewegen. De hitte is mijn vijand geworden.
Wat moet ik doen? Ik zit hier al zo lang. Mijn lichaam neemt het besluit voor me en voordat ik erover na kan denken, sta ik op en spring met mijn stijf geworden benen van het dak af. Wijdbeens sta ik naast het Keltisch kruis en tuur met een hand boven mijn ogen naar de man.
Hij doet hetzelfde. Ik begin te lopen alsof iemand me duwt.
Ik denk aan wat ik kan doen als hij iets probeert. Slaan, schoppen, krabben. Ik bal mijn vuisten vast en trek mijn allerkwaadste gezicht. Ik zal niet tenonder gaan, en zo wel, dan vechtend. Het kost me enorm veel kracht om over het hek te klimmen. De man kijkt onverstoorbaar naar mijn geploeter. Ik zie een twinkeling in zijn ijsblauwe ogen. ‘Hiya,’ zegt hij als ik op het pad neerplof, en steekt zijn hand op. Ik schrik zo van die beweging dat ik bijna uithaal, maar ik weet me te beheersen en piep: ‘Hi.’ Zo snel als ik kan, maar uiterlijk kalm loop ik langs hem heen. De kant van mijn lichaam die hem bijna schampt, prikt van de zenuwen.
Hij blijft staan zoals hij staat, draait alleen zijn hoofd om me na te kijken. Ik loop, zet het dan op een drafje, en galoppeer vervolgens op volle kracht het paadje af. Weg, weg, weg.
Pas als ik bijna bij het witte huis ben durf ik weer gewoon te gaan lopen. Mijn shirt plakt aan mijn rug. Als ik omkijk zie ik in de verte een rode stip bij het hek en de man in dezelfde positie ernaast. Met mijn laatste krachten trek ik de zware houten voordeur open, laat die achter me dicht vallen en leun er tegenaan. De koelte van het hout tegen mijn rug is de eerste aangename sensatie in uren. Ik proef het zout op mijn lip en hoor stemmen uit de tuin komen. Veilig. Ik sluit mijn ogen.
Esther Donkers




Tijd om eens aan een echte onvervalste thriller te beginnen: Esther S. Larsen of zo????
Ik voel alleen geen angst bij het lezen. De angst van de hoofdpersoon komt wat geforceerd over…
Mensenvrees misschien?
Mooi verhaal maar ben het wel met Menno eens. De SIRE-commercial waarin gesteld wordt dat niet iedereen per definitie iets kwaads in de zin heeft, is aan hoofdpersoon wel besteed geweest. Verder erg veel info waardoor het verhaal wat langdradig wordt en weinig meer aan de fantasie van de lezer wordt overgelaten.