Sprekend

ALGEM_Wenz_MIDDEL_Sprekend

Hij is wat traag, spreekt moeilijk en stotterend. Zijn handen doen al eeuwen niet meer wat hij wil, ze hebben zo hun eigen leven. Hij is niet doof, maar praat gelijk een dove; hij is niet dom, niet gek, alleen zijn geest zit in een tegenwerkend lichaam. Hij komt iedere woensdag zijn tijdschriften halen, week in, week uit, al vijfentwintig jaren lang. Altijd vrolijk, altijd lief.

Toen hij mij twee jaar geleden voor het eerst achter de toonbank zag staan werd hij verlegen, zijn routine liep een deukje op. Wegkijkend en stil betaalde hij en sloop de winkel uit, zijn handen nog meer een eigen leven leidend dan normaal. Iedere week opnieuw stond ik weer klaar om van onder de toonbank zijn tijdschriften op te duikelen en ze aan hem te overhandigen. Hij wende eraan, werd wat rustiger, maar kletsen bleef beperkt tot de vaste medewerkers die hij kende. Over sport, over het weer, over de straat die werd gerenoveerd. Hij liep de winkel door om zijn praatje te kunnen doen tegen zijn bekende gezichten.

Na een jaar kreeg ook ik een glimlach op z’n tijd, een volmondig “Hallo!” bij binnenkomst. Ik liet me meevoeren in zijn routine: “Hoeveel is het ook weer samen, Lode?” Hij antwoordde steevast “V..v…vijjjjffff eurrr….eurro dettiggg” en grabbelde al in zijn portemonnee. Elastiekje om de opgerolde tijdschriften, geld weer opbergen en gaan.

Hij is niet dom, niet gek, alleen zijn geest zit in een tegenwerkend lichaam

Een “Lekke weeeerrrèh?” deed de zon doorbreken na anderhalf jaar. “Heerlijk weer ja!” glimlachte ik. Zijn blik kruiste de mijne en hij lachte zijn tanden bloot. Toen snel weer veilig door voor zijn praatjes, mij bij het weggaan nog een zwaaiende hand en glimlach toewerpend. Ik zwaaide terug en prees in gedachten zijn moed.

Toen ik een woensdagmiddag niet achter de kassa stond maar een collega van de ochtendploeg, zocht hij mijn blik om hallo te zeggen. Ik lachte hem bemoedigend toe vanaf mijn plek bij de boeken, en hij kocht zijn tijdschriften stilzwijgend bij de ander. Ik trof hem bij de deur om uit te leggen dat er wegens vakanties van anderen nu iemand anders in de middag werkte. Het leek hem te kalmeren, en vrolijk wandelde hij weg.

Vorige week kwam hij weer binnen. Keek om zich heen, zag dat er niemand anders was. Na betaald te hebben bleven zijn handen in zijn portemonnee zoeken. Klepje open, flapje aan de kant, zijn vingers werkten tegen maar hij was vastberaden. Ik gaf hem zijn tijd en bleef zwijgend wachten op wat komen ging.

“K…k…kijk!” spreekt hij en legt iets op de toonbank. “D..dit wassik!” Voor me ligt een zwart-wit fotootje van Lode in jongere jaren: net pak, strak kapsel. Ik pak de foto op en bekijk hem eens goed. Op de achterkant staat een jaartal geschreven: 1987. “V…vijf…vijfendettig wassiktoen.” Ik kijk hem aan: “Zo zeg!” Hij begint te stralen en zijn handen flapperen om hem heen. “Mmmoooi wassik hè!” zegt hij, met een verlegen glimlach wegkijkend.

“Je lijkt er nog sprekend op, Lode.” antwoord ik hem.

Hij grijnst breed naar me en loopt stralend de winkel uit, een ferme zwaai bij de deur. “Tot volgende week!” Ik kijk hem glimlachend na. Wat werk ik hier toch graag.

Wenz

Bookmark dit verhaal

Wenz

Sinds 1981 onder de levenden. Schrijft, leest, tracht, duikelt, piekert en bewondert. Vindt mensen intrigerend, ondanks haar parttime kluizenaarsbestaan.