Haring en motoren

Haring en motor door Unknown Sin

De typisch eilander huizen in het dorpje stralen een nostalgische gemoedelijkheid uit. De zon schijnt. Bij één van de huisjes staat een ruig uitziende, bebaarde man zijn motorfiets schoon te maken. ’t Is een stevig gebouwde man en op zijn armen prijken tattoeages die zo te zien al ettelijke jaren geleden zijn aangebracht. Hij heeft een uiterst vriendelijk gezicht. Hij merkt dat ik naar hem kijk en groet me vrolijk. Het lijkt me een gelukkig mens. Het chroom van zijn Harley Davidson blinkt in de zon, en op de uitlaat ontstaat als gevolg van het poetswerk, gecombineerd met het felle zonlicht, het zuiverste paars dat ik ooit heb gezien. Ik groet de man terug en loop door.

We hadden het vroeger niet breed, thuis. Mijn vader afgekeurd, geen werk meer, maar wel tien magen die gevuld moesten worden, die van mijn ouders incluis. We aten niet iedere dag vlees. Iedereen had zijn of haar eigen kuipje boter. Als ‘t op was had je pech. Of je verwisselde het dekseltje met jouw naam erop met die van een broer of zus, die een voller kuipje had. Meestal kwam dat uit.

Ik droeg de kleren van mijn oudere broer, die ze ook al van de broer daarboven had gekregen. Mijn moeder probeerde wat extra geld bijeen te sprokkelen door wat huizen en de lokale school schoon te houden.

Soms mocht ik met m’n vader mee om een boodschap te doen. We woonden in een piepklein dorp waar geen winkels waren, en dus werd de oude, wrakke maar nog rijdende Vauxhall Viva voorgereden. En weg waren we. Wij waren tevreden met de auto, wel net zo blij als de wat beter bedeelden met hun hippe Japanners. Een scheurtje in de achterbank wil immers niet zeggen dat je er niet lekker op kunt zitten.

‘Als we weggingen, en we reden ‘bij toeval’ langs een viskraam, wist ik precies wat er ging gebeuren. De auto begon te horten en stoten.’

Als we weggingen, en we reden ‘bij toeval’ langs een viskraam, dan wist ik precies wat er ging gebeuren. De auto begon te horten en stoten, en mijn vader had de rotsvaste overtuiging dat het beter was voor de motor, als we ‘m even zouden laten afkoelen. En als we toch moesten wachten, konden we net zo goed even een visje wegwerken. Een zoute haring met uitjes voor hem, voor mij een zure bom. Ik lustte geen zoute haring.

Nadat de haring tot en met het laatste stukje ui was verorberd, fluisterde hij op samenzweerderige toon tegen me, dat ik niets tegen moeder moest zeggen, en hij knipoogde erbij. Ons geheim.

Ik herinnerde me dit alles door het zien van de man met de motor. Ik wist ook waarom. Op één van de tochten met mijn vader moest er worden getankt bij een pompstation zo’n zes kilometer van ons dorp. Je kon er ook ansichtkaarten, tabak en wegenkaarten kopen.

Mijn vader gebood mij in de auto te wachten. Hij liep de Shell-shop binnen om even later terug te komen met een natuurgetrouw schaalmodel van een oranje Norton motorfiets. Het was een prachtige replica, in een doos van doorzichtig kunststof, zodat je ‘m stofvrij weg kon zetten en tóch zien.

“Voor jou.”
Ik wist niet wat ik moest zeggen, maar vloog hem om de hals.
“Jajaja, al goed, al goed!” bromde hij.

Ik heb ‘m nog. In de plastic doos. Eén van de weinige tastbare herinneringen aan mijn vader. Er zit een scheur in de doos, er ontbreekt een handvat en één knipperlicht heeft de geest gegeven, maar dat wil niet zeggen dat ik er niet naar kan kijken.

Ik vind zoute haring heerlijk.

Unknown Skin

Bookmark dit verhaal

Unknown Skin

Gevoelige veertiger. Stadsmens uit de natuur. Muziek en woorden. Water en lucht. Lijfspreuk: ad impossibile nemo tenetur. Onbekend maar niet onbemind.