Het is dinsdagmiddag als ik haar voor het eerst weer tegenkom. Het gesprek begint enigszins onwennig. Het gesprek begint zelfs helemaal niet. We hebben elkaar allebei laten zitten tijdens een afspraak die we nooit gemaakt hebben. Na het afscheidsfeestje, inmiddels een tijd terug, heb ik de verwachte week gewacht om contact op te nemen. Ik wilde ontdekken of ze mij zou bellen. Toen dat niet gebeurde, heb ik het heft in eigen hand genomen en haar ook niet gebeld. Nu, al die tijd later, staan we elkaar niet te verwijten dat er niet gebeld is. En dat levert een zwijgzaam spektakel op.
In een samenvatting van de voorbije periode staan we elkaar aan te kijken en te wachten wie het eerste woord niet in de mond neemt. Uiteindelijk is zij dat, dus ik besluit een opmerking over het weer te maken. En dat blijkt een goede zet, want zij heeft ook opgemerkt dat de zon schijnt. Al drie dagen ja. En morgen verwachten ze meer van hetzelfde. Als ik vervolgens het schot op open doel dat ze me biedt met de vraag of ik nog iets leuks ga doen met deze temperaturen met een boogbal in het publiek slinger, grijp ik in paniek in mijn broekzak en neem mijn GSM op zonder dat deze ook maar één keer is over gegaan.
Ik wilde ontdekken of ze mij zou bellen. Toen dat niet gebeurde, heb ik het heft in eigen hand genomen en haar ook niet gebeld.
‘Hallo?’ Geen antwoord.
Ze kijkt me aan alsof ik zie ze vliegen, waarop ik tegen de mysterieuze en vooral fictieve beller zeg dat ik het sta te verknallen met het mooiste meisje dat ik in pakweg een hele zomer tegen gekomen ben. Ze lacht en zegt dat ik de vorige keer geen verzonnen tussenpersoon nodig had om charmant te zijn. Ik beken dat bier inderdaad een beter sociaal smeermiddel is dan een telefoon die hardnekkig weigert over te gaan. ‘Vertel mij wat,’ zegt ze. ‘Mijn telefoon heeft datzelfde probleem.’ Ze kijkt me aan. Speels.
‘Misschien moeten we nu wat afspreken,’ vervolgt ze, ‘als je denkt dat je een nog poging verdient.’
Die tweede voorzet komt net zo onverwacht als een antwoord van de persoon die ik blijkbaar nog steeds aan de lijn heb zou zijn, dus ik stop de telefoon weg en vraag of ze wel eens wat eet. Ehm, voedsel, bijvoorbeeld. Wat geweldig is, want ik heb mezelf al een paar volle seconden niet belachelijk gemaakt. Haar antwoord is gelukkig bevestigend. Maar ze zegt dat ik haar dan toch zal moeten bellen – ze heeft haar agenda niet bij.
‘Oké, doe ik,’ zeg ik haastig, ‘maar ik moet nu gaan, ik was onderweg.’ Ik draai me om en loop in mijn vlucht tegen een wat oudere man aan, die zich uit het niets achter me geschaard heeft om op de bus te wachten. En me nu verontwaardigd aan staat te kijken. Ik verontschuldig me en loop in een tweede poging wel om hem heen.
‘Tot dan.’ Ze staat me glimlachend na te kijken. ‘We zullen zien’, denkt ze vast.
In dat geval heeft ze gelijk.
Rob Nijman




Ik denk dat er weinig mensen zijn die zich niet herkennen in dit verhaal. Maar om het dan ook nog zo mooi op te kunnen schrijven is een tweede.
Mooi! Ga je deze keer wel bellen? Of mij desnoods
Gelukkig heb je geen telefoonnummer gekregen!
leuk, luchtig. Dank!
Jaaaaaa, een lekkere originele! Blij dat ik NIET op het verkeerde been werd gezet
Leuk leuk.
zodra de vraag gesteld wordt: heb je gebeld
Verrassende woordenkeus met mooie ondertoon
heb je de lezer geboeid!
Mij ook