Verkoeverkamer 7 Noord

Verkoeverkamer 7 Noord

Ik word aangeduwd door zuster Krentoog, van de verkoeverkamer terug naar kamer 314 op afdeling 7 Noord. ‘Gaat het weer Meneer Pauw?’, vraagt ze. ‘Hasjikke goe’, vertel ik haar. Ik steek mijn duim op: ‘Je bent zo’n wijf’.

Ze heeft me net extra morfine gegeven. Ze was ook bij de operatie, maar zegt niet veel. Gelukkig maar: ik geniet ervan. Morfine stamt vast af van het Engelse ‘more fun’.

‘Zullen we nog een rondje’, vraag ik mijn aanduwster. Ik heb er wel zin in. Maar ze draait me al de kamer in. Ze hebben de ruimte anders samengesteld. Ik lig nog wel rechtsachter bij het raam. Maar naast me ligt nu een potvis van achter in de vijftig. Ze is volumineus en gaat gedrapeerd in satijn.

‘Wanneer bent ù aangespoeld?’, vraag ik.

Ze moet lachen. Haar onderkin komt tot stilstand toen ze me naast haar reden. Ze is vanmorgen aan haar enkel geopereerd en ze werpt demonstratief het laken van het verband. ‘Maar da’s die sneeuwpop van beneden’, schrik ik. ‘Zag u em niet staan dan? Nu is-ie kapot. Brengt u-em wel terug?’

Ze draait haar dikke hoofd om: een vlezige afkeer. Tegenover me ligt nog steeds de oude man. Hij heeft wenkbrauwen als luiwagens en de mimiek van een muppet. Zijn vertraagde bewegingen verraaden zijn leeftijd. Zijn rollator trouwens ook. ‘Oei joei joei’, jammert hij voortdurend. En terecht, ze hebben hem een kootje uit zijn teen afhandig gemaakt.

‘Zullen we nog een rondje’, vraag ik mijn aanduwster. Ik heb er wel zin in. Maar ze draait me al de kamer in.

Een dame treedt de kamer binnen. Type Theelepel. Ze houdt met haar linkerhand d’r rechterpols vast. ‘Ach, ik viel zo hard’, verklaart ze: ‘De trottoirtegels lagen ongelijk. En –pats – daar lig ik’. En ze maakt met links een gebaar naar de horizon. ‘Het is toch wat, lig ik daar te kermen op het trottoir en alle auto’s rijden gewoon voorbij’. Ze maakt hetzelfde strekkende gebaar.

‘Ja, vrouwtje, mot je ook op stráát vallen, Dan stoppen ze wel’, grinnikt Mevrouw Potvis. ‘U bent niet goed bij uw hoofd’ zegt Theelepel en tikt op haar voorhoofd om aan te geven waar dat is. ‘Oei joei joei’, zegt Opa.

Ik zwaai naar hem. Hij gaat staan. Ik denk om terug te zwaaien, de lieverd.

‘Zuster!’, giert Potvis plots uit het niets. ‘Kom, snel! Die ouwe staat op.’

Oejoei schrikt ervan en laat zich snel weer terugvallen op het bed, Maar hij slaat door zijn remmen heen, maakt een koprol achterover en valt van het bed. Het gordijn wappert, het infuus wankelt.

De zuster komt net aan. Ze helpt Oejoei het bed in en draait het licht uit. ‘Het is nu echt bedtijd, mensen, Weltrust!’

‘Oei joei joei’.

‘Tot morgen’, zegt Theelepel.

Lekker slapen, denk ik.

‘Gnanna, prrrrr, ganannaa’. Het komt van links. Eerst zacht, dan wat harder. GNNANNA, prrrrr, GNAANNANA. Potvis heeft niet alleen een fijne neus voor grapjes, maar ook voor snurken. GNNANNA, prrrrr, GNAANNANA. ’Oei joei!’, doet de overkant. Het wordt erger als ze tijdens het snurken ook bijt.

Ik bel de zuster. Ze komt en vraagt op fluistertoon: ‘Wat is er?’ ”Zullen we ècht niet nog een rondje?”

Bookmark dit verhaal

Marco Pauw

In 1971 geboren in Alkmaar. Tot 2000 bouwkundige, nu hoofdredacteur van het vakblad Bouwen Met Staal en in de hoofdredactie van Unlimited Magazine.