In vogelvlucht

In vogelvlucht

Er klinkt een geluid, een geluid als van een knappend elastiek dat gerekt is tot het uiterste, of misschien van een strak gespannen kabel die eindelijk los mag laten. Buiten fladdert een vogel verschrikt op, maar dat moet toeval zijn. Het geluid is alleen te horen in het hoofd van Hanna, waar zojuist een essentieel bloedvat geknapt is, met een zee van kolkend bloed tot gevolg, bloed dat keurig op de paden had moeten blijven, gestroomlijnd door een strak systeem.

Erno kijkt op van zijn krant omdat Hanna plotseling klinkt als een televisie met ruis. Kggggggggg, zegt ze. Even glimlacht hij. Misschien lukt het niet met haar breiwerkje, dan wil ze nog weleens mopperen. Maar het breiwerkje ligt stil in haar bleke handen. De punten van de breinaalden wijzen kruislings omhoog, naar haar scheefhangende mond, waar het storende geluid uit komt.

In drie stappen is Erno bij zijn vrouw. Hij pakt haar kin en kijkt in haar nietsziende ogen. Als hij loslaat valt haar hoofd slap naar links.

‘Hanna!’ Zijn stem klinkt hol in de woonkamer. Hij kijkt omlaag, waar haar dikke voeten, gehuld in zelfgebreide sokken, verlegen naar elkaar wijzen. Een dun straaltje urine spettert uit haar broekspijp. Erno rent naar de telefoon, die in de gang hangt. Hij draait 112 en roept dingen die hij zich later niet meer kan herinneren. In elk geval wordt aan de andere kant van de lijn begrepen dat er nood is. We sturen een ambulance, zegt een vrouw met een zachte stem.

Erno loopt terug naar de kamer. Hanna is nu stil. Voorzichtig pakt hij het breiwerkje uit haar handen en legt het op de tafel. Daarna legt hij zijn handen om haar koude voeten, waar ze altijd over klaagde. Haar voeten ontroeren hem. Ze pasten niet in gewone schoenen en waren sinds hun huwelijksnacht nooit meer warm geworden.

De bel gaat. Erno doet de deur open en laat de ambulancebroeders als een stille golf door het huis rollen. Zakjes worden uitgepakt, Hanna wordt neergelegd en routineus aan allerlei apparaten gelegd. Het ziet er niet goed uit, zegt de broeder met de bril. We gaan nu naar het ziekenhuis.

Haar voeten ontroeren hem. Ze pasten niet in gewone schoenen en waren sinds hun huwelijksnacht nooit meer warm geworden.

Pas als Erno naast zijn vrouw zit tijdens de ambulancerit, merkt hij dat hij haar breiwerkje op schoot heeft. Voor als ze bijkomt, zegt hij verlegen tegen de broeder, die droevig naar hem glimlacht. Hij klemt de naalden tegen zijn jas, het broze sokje wordt warm in zijn handen. Hanna’s gezicht is verborgen achter een plastic kapje. Haar borst ademt, maar het lijkt of de rest van haar lichaam niet meedoet.

In het ziekenhuis gaat alles snel. Hanna wordt meteen afgevoerd voor onderzoeken. Erno wacht met de breinaalden op schoot. Hij denkt aan Hanna’s voeten en aan de pap die ze elke ochtend voor hem maakt. Echte havermoutpap, heet met flink suiker, precies zoals hij het lekker vindt. Maar dat zegt hij nooit.

Het wachten lijkt eindeloos te duren. Pas als het buiten schemert wordt Erno opgehaald. Hij mag zijn vrouw zien. Ze is overleden tijdens een procedure die met spoed uitgevoerd werd.

Het dringt niet goed tot hem door. Pas als hij haar ziet, wasbleek en met de handen stijf op elkaar over haar buik, begrijpt hij dat Hanna nooit meer havermoutpap zal maken. Hij voelt zich verschrompelen, kleiner worden. Lucht en energie verplaatsen zich via zijn mond naar buiten om niet meer terug te komen.

Hanna is het er niet mee eens. Haar gezicht heeft het schijnsel van een koude maan, haar mond staat verbeten. Zij draaide om hem heen als de aarde om de zon, maar nu pas begrijpt hij dat zij de zon was.

Buiten vliegt een roedel ganzen over in V-formatie. Vleugel aan vleugel stuwen zij elkaar opwaarts, tot ze achter de horizon zijn verdwenen.

Esther Donkers

Bookmark dit verhaal

Esther Donkers

Amsterdammer die provinciaal ging. Columnist bij Dagblad van het Noorden en docent verpleegkunde. Schreef Berichten uit de zorg (De Bezige Bij, 2011)