De zwoele avondbries zorgt voor symfonisch geritsel onder de sluimerende maneschijn. De met takjes bezaaide grond begeleidt een orkest van bladeren in een vierdelige maatsoort. Chromatische akkoordwisselingen van ontelbare tonen volgen elkaar op. Een dissonant hoorspel.
De regen vindt langzaam zijn weg door bladeren van de bomen richting de vochtige grond. Natte bladeren dwarrelen speels boven de aarde, tot hun weg onderschept wordt. Zoals een kleine dartele pup blijven ze hangen aan mijn broek. Maar na een volgende windvlaag worden ze verwelkomd door de gapende leegte achter me.
Het begin van het pad, wat per stap dichterbij het einde komt. Ik kijk niet om. Wat achter me ligt is niet meer van belang. Toch voel ik de duisternis achter me groeien. Onzeker versnel ik het tempo en vergroot de passen, maar het volgt me op de hielen. Het orkest gaat door van pianissimo naar mezzo forte, mijn hart door naar de keel.
Opeens slaat mijn onzekerheid om in angst. Enkele minuten geleden dacht ik dat ik me alleen in dit eenzame bos bevond. Een gedachte die me pas na tientallen minuten wist te kalmeren. Maar nu loopt er ineens iets of iemand voor me, waarbij enkel diens schaduw binnen mijn gezichtsveld valt.
Ik voel me als een muis voor een val, die de keuze moet maken tussen verhongeren of met geluk het stukje kaas kan veroveren. Zal ik versnellen om te gaan groeten, of terugkrabbelen om een mogelijke conflict te voorkomen? Al rennend doorzoek in mijn tas naar een zaklamp. Door de gedachte deze te moeten gebruiken, begin ik te transpireren.
Fortissimo.
Ik pak de lamp uit mijn schoudertas en schijn ermee op mijn horloge. Elf over één. Vervolgens richt ik boven de schaduw voor me, maar de duisternis lijkt me in te sluiten. Misschien dat de lichtbundel zo ver niet reikt, denk ik. Ik besluit te mikken op de schaduw, welke zich op ongewijzigde afstand van me verwijderd is. Geen licht.
Natte bladeren dwarrelen speels boven de aarde. Zoals een kleine dartele pup blijven ze hangen aan mijn broek.
Dan dringt het tot me door dat ik noch lamp, noch tas bij me heb. Op dat moment barst de stuwdam. Angst overmeestert me en legt mijn benen aan de ketting. Een ketting geketend aan de persoonlijkheid. Mijn persoonlijkheid, welteverstaan.
Sforzando.
Ik struikel, een boomwortel is de dader lijkt het. Of is het angst, dat me triomfantelijk en vernederend uitlacht. Zijn felle schaterlach klinkt schrijnend onder de asgrauwe maan, als een mannelijke cicade die bereid is te paren. Het liefst zou ik willen vluchten, maar voordat ik in staat ben op te staan, haalt de angst uit naar mijn maag.
Met tranen in m’n ogen kruip ik ineen, al liggend breng ik mijn knieën naar m’n verwarde hoofd. Het liefst zou ik sterven, op deze plaats en deze seconde. Maar zo gemakkelijk gaat dat niet, vertellen mijn hersenen me. Mijn hart, dat inmiddels opgeklommen is tot m’n keel, sluit zich daarbij aan.
Begeleid door het dissonante orkest van bladeren, lijkt het schrille gekrijs van angst een ware aria op te leveren. Ik stop vergeefs mijn vingers in m’n oren en sluit vervolgens m’n ogen.
Morendo.
Pas als de rust teruggekeerd is, zal ik mijn ogen weer openen.
Al niente.



mooi!
Als ik niet wist wat surrealistische proza is, dan heb ik nu een aardig idee. Mooi
heel erg mooi geschreven, daarom een paar keer extra gelezen. complimenten!
Bedankt voor de reacties! Fijn om te weten dat ook de zweverige stukken door de Het Pennetje-lezers op prijs gesteld worden.