Ergens bovenop een berg in Karinthië probeerde een man zijn snowboardjas dicht te maken. Tot zijn verbazing lukte het niet. Bij nadere inspectie bleek zijn vinger krom te staan. Hij had er geen last van en besloot door te gaan met snowboarden. Hij zou zich deze dag niet af laten nemen.
Beneden, in het dal, verstreek in een klein jongetje de incubatietijd van het waterpokkenvirus. De eerste blaasjes kwamen in razend tempo op, maar zouden gedurende de dag verscholen blijven onder de dikke fleecetrui van het jongetje. Gelukkig had hij er geen last van en kon hij heerlijk spelen, zoals hij de hele vakantie al gedaan had, met de andere kinderen in het vakantiedorp.
Heel ver weg, in Nederland, kreeg een oud hondje een spuitje om in slaap te vallen, en daarna nog een om te sterven. In de armen van de grote politieman die mijn broer is blies het hondje haar laatste adem uit en op die adem vloog ze mee met de wind, naar één van haar vroegere baasjes, die haar lachend stond op te wachten, alsof hij nooit was weggeweest.
Op zaterdag reed er een auto terug naar Nederland, met een man met een gespalkte vinger aan het stuur.
In een klein dorpje, vlakbij de berg en het dal, lag het andere vroegere baasje van het hondje op een brancard. Om haar heen stonden zes mensen in rode jassen met een kruis erop. Verwoed spoten zij medicijnen in de vrouw om haar hartslag en bloeddruk naar beneden te krijgen. Omdat het niet hielp, namen ze haar in vliegende vaart mee naar het ziekenhuis. Daar kregen ze haar erbovenop. Eerder die dag was ze met pijn op de borst en de rug naar de dorpsdokter gegaan, en die had haar doorgestuurd voor een foto en een CT-scan bij een particulier specialist, omdat ze zeker wilde weten dat de vrouw geen longembolie had. Bij het inspuiten van de contrastvloeistof ging het daverend mis en kreeg de vrouw een allergische shock-reactie.
Het hondje en de man zagen haar komen. “Nee nee”, zei de man. “Nog niet. Jij komt later”. Hij stuurde haar terug. Hij hoefde het geen twee keer te zeggen.
Op zaterdag reed er een auto terug naar Nederland, met een man met een gespalkte vinger aan het stuur; naast hem zijn vrouw, die tevergeefs had geprobeerd de zwarte plakrandjes van de hartfilmstickers van haar lijf te boenen, en achterin hun kleine jongetje, bezaaid met grote blaasjes en rode vlekken en inmiddels een beetje koortsig.
Ze zeiden niet veel. Maar ze zuchtten wel heel diep toen ze de grens met Nederland bereikt hadden. De man trapte zijn gaspedaal nog dieper in.
Esther Donkers




Ik had bij 22 graden wat moeite met visualiseren van het geheel maar erg leuk om te lezen.