Het was zo’n dag die uitermate geschikt is om in de tuin te werken. ‘s Ochtends had ik een deskundige geraadpleegd, en van hem wist ik dus hoe ik de zaken moest aanpakken. De dode boom en de conifeer bij de grond afzagen en afvoeren, en de ribes uitgraven en verplaatsen. Zo zouden we veel meer daglicht in de woonkamer krijgen.
Alsof ik er verstand van had liet ik mijn hand door de takken van de conifeer gaan. Een halve, lichtblauwe eierdop viel op de grond. Verbaasd keek ik naar dat kleine schaaltje voor mijn voeten. Er zou toch geen nestje in de boom zitten? Voorzichtig ging ik met mijn handen verder op onderzoek, door de takken, van beneden naar boven. Niets. Gelukkig maar.
Later die ochtend liep ik gewapend met mijn Sandvik handzaag opnieuw de voortuin in. Mijn zoontje hobbelde achter me aan, altijd bereid om papa te helpen. Ik zette de zaag eerst in de dode boom. Een makkie. In een mum van tijd had ik die tot brandhout verwerkt. Tot op de dag van vandaag weet ik niet welke soort ik onder handen heb genomen. Daarna was de ribes aan de beurt. Ook dat leverde weinig problemen op.
Als laatste was de grote conifeer aan de beurt. Toch nog even een laatste controle… nee, niets. Ik begon te zagen. Dat bleek toch nog wel even een karwei, het hout was taai, maar uiteindelijk lukte het me om de boom te overwinnen.
Plotseling stond ik als aan de grond genageld. Vóór mijn voeten lag een bijna nog helemaal kaal en dus pasgeboren vogeltje. Mijn zoontje was helemaal opgetogen over dat kleine beestje, maar ik werd bevangen door een vreselijk schuldgevoel. Ik realiseerde me dat er dus tóch een nest in de boom moest zitten.
Ik vroeg me af of er nog meer vogeltjes in zouden hebben gezeten en liep terug naar de voortuin. Midden op het gazon vond ik er nog een. Ik keek om me heen en zag dat ik vanuit een boom aan de overkant werd gadegeslagen door een volwassen vogel met een worm in haar snavel. Ik mompelde een verwensing aan mijn eigen adres toen ik me besefte dat ik de moeder van de familie Turdidae zag. Een zanglijster.
Verbaasd keek ik naar dat kleine schaaltje voor mijn voeten. Er zou toch geen nestje in de boom zitten?
Ik ging mijn woning binnen met de beide vogeltjes in mijn omgeslagen sweater. Vond een klein, rieten mandje dat ik buiten vulde met dor gras en takjes, en overwoog het geïmproviseerde nest in de hoge boom aan de overkant te zetten. Ik liet deze gedachte snel varen, omdat het nest in de conifeer ook nooit zo hoog kon hebben gezeten, maar wel erg beschut. Koos voor een spar-achtige boom, die aan de zijkant van onze oprijlaan stond. Plaatste het mandje stevig tussen een paar takken, zette de jonge vogeltjes erin en verdween met mijn zoontje naar binnen.
Moeder lijster vloog nerveus van struik naar struik, maar had niet de moed om naar de plek te vliegen waar ik zojuist haar jongen had achtergelaten. “Schijtlijster!” schold ik.
Ik bedacht me, dat ik misschien nog resten van het originele nest zou kunnen vinden, en dat toevoegen aan wat ik reeds geknutseld had. Ik ging op een draf naar buiten en ging als een dolleman tekeer tussen de takken, op zoek naar mijn laatse hoop.
Plotseling vond ik het: een piepklein nestje, dicht tegen de stam, creatief geconstrueerd en inmiddels door mij weggegrist, om zo snel mogelijk naar de nieuwe boom te verhuizen. Toen ik weer weg wilde snellen, zag ik naast de afgezaagde boom nóg twee jongen liggen, dood, waarschijnlijk door de kou gestorven. Ik voelde me nog bezwaarder, dit was mijn schuld, al was het dan niet opzettelijk.
Nu was het nóg meer mijn plicht om de twee nog levende piepertjes onder moeders vleugels terug te krijgen. Ik rende naar de boom waarin ik het rieten mandje had gestopt, haalde de vogeltjes eruit, plaatste het nestje in het mandje, deed de lijstertjes erin en dekte ze een beetje toe met wat nestmateriaal.
Gauw ging ik weer naar binnen om te zien hoe moeder lijster hierop zou reageren. Mijn zoontje leefde vol spanning mee, en hield het bijna niet meer toen ze kwam aanvliegen. “Ssssshhht! Die mamma-vogeltje isser weer!” fluisterde hij. Maar ze durfde nog steeds niet naar de jongen toe. ”Ga nou toch, verdomme!” vloekte ik. Mijn zoontje keek me begripvol aan.
Toen ik aan het einde van de middag had vastgesteld dat moeder lijster nog steeds niet naar het nest durfde, besloot ik ten einde raad om zélf een maaltijd voor de jongen te verzorgen. Ik zocht en vond een paar wormen, en probeerde ze te voeren aan de kleine vederloze lijstertjes, door ze op hun rug op mijn hand te leggen, zodat ik met mijn duim en wijsvinger het snaveltje voorzichtig kon openen. Het mislukte. Het beestje stikte er bijna in.
Ik kreeg de ingeving een kennis van me te bellen, die siervogels kweekte. Ik vertelde het verhaal en vroeg hem wat te doen. “Je moet de worm maar even voorkauwen!” grapte hij. Ik was niet in de stemming voor grappen. Hij gaf de hele operatie weinig kans van slagen, en dacht dat ik alleen maar kon hopen dat de kleintjes toch nog door moeder zouden worden bezocht, dus zette ik het nest weer terug in de boom, daarbij in de gaten gehouden door moeder- en ondertussen ook vader lijster.
Zelden heb ik zulke kleine ogen zó voelen prikken. Zouden vogels kunnen denken? Voelen? Haten? Als ze me aangevallen zouden hebben, had ik ze laten begaan. Alle begrip. Ze bleven echter op afstand. De twee kleintjes hebben het niet overleefd. De conifeer voor mijn raam was weg, dus ik had licht in de woonkamer. Maar verlicht voelde ik me niet…
Unknown Skin



Je hebt het in ieder geval oprecht geprobeerd!
tot tranen hier,
daarom is er iets als een kapverbod voor bepaalde tijden.
en het zal je nooit weer loslaten
maar ook nooit weer voor een 2e keer gebeuren.
Terug naar de natuur die wijken moest
Troost je met de gedachte: had je het geweten
had je het niet gedaan !
XXXXXXXXXX