Rust

Rust van Esther Donkers op Het Pennetje

‘Wat een rust,’ verzuchtte ze terwijl ze in de kist keek, ‘wat een heerlijke rust.’ Ze had een kind op haar arm en haar oudste rende door de grote zaal van het crematorium.

Ik voelde me wankel, alsof ik een stoel moest vastgrijpen. Omdat de stoel niet voor handen was verplaatste ik mijn gewicht naar mijn andere been en probeerde niet te laten merken hoe verbijsterd ik was. Ik keek omlaag en probeerde te zien wat zij zag.

Ik zag een versteend gezicht met een gelige kleur, ik zag haren waar het plaksel van het hersenfilmpje nog in zat, ik zag lange wimpers die nog lang niet voor eeuwig op zijn wangen hadden moeten rusten.

De rust zag ik niet. Misschien omdat ik zelf te onrustig was van binnen. Ik keek naar haar – jong nog, maar met een grauw gelaat en zwarte wallen onder haar ogen. Ik wist dat ze een moeilijke man had en in korte tijd had ze twee kindjes gekregen. Ook wist ik dat ze model was geweest en een tattoo van een enorme zwarte slang op haar rug had. Kort gezegd was haar leven van cool naar gekweld verschoven. Maar dat was mijn zaak niet. Mijn zaak was die dode man daar in die kist, in wie zij de rust zag waar ze naar verlangde.

Sterf dan, dacht ik terwijl ik naar haar keek en mijn woede voelde groeien.

Sterf dan, dacht ik terwijl ik naar haar keek en mijn woede voelde groeien. Ik keerde me van haar af en liep door de zaal vol verdrietige mensen, op zoek naar een anker, een houvast.

In de nachten dat ik moest voeden, moest troosten, ruzie maakte met de jonge vader vanwege de drukte en de stress en van voren niet wist dat ik van achteren leefde, schoten haar woorden me weleens te binnen. Terwijl ik het zoveelste flesje maakte zweefde haar vermoeide gezicht voor mijn geestesoog.

En ineens zag ik ook hem, de wimpers voorgoed in ruste. Aan het lijfelijke en alle vermoeienissen daaraan verbonden ontsnapt. Niets zou hem nog storen in zijn eeuwige slaap.

En ik snapte haar, met terugwerkende kracht. Begrip overspoelde me in al mijn oververmoeide ledematen. Schuddend met het flesje liep ik langzaam terug naar de slaapkamer, op zoek naar mijn houvast, mijn anker. Het lag te slapen en leek geen honger meer te hebben. Ik nestelde me naast hem en blies zachtjes in zijn donshaartjes.

Esther Donkers

Bookmark dit verhaal

Esther Donkers

Amsterdammer die provinciaal ging. Columnist bij Dagblad van het Noorden en docent verpleegkunde. Schreef Berichten uit de zorg (De Bezige Bij, 2011)