Toen ik de boendermaker belde om te vragen of hij op ons schoolfeest kon komen, omdat we mensen zochten die een oud ambacht uitoefenen, was er even een clash tussen het Westen en Drenthe. Omdat ik overenthousiast door de telefoon kweelde dat ik zo blij was dat hij kon komen, geweldig, de kinderen zouden het fantastisch vinden. Van zoveel overdrevenheid, overigens oprecht gemeend, viel de boendermaker stil.
Daarna herpakte hij zich en zei met een zwaar Drents accent: ‘Dat zu’me zien dan.’ En daarmee was de zaak beklonken. De boendermaker kwam.
Op de dag van het feest reed hij klokslag vijf uur het schoolplein op met zijn autootje. Hij had een krom, doch sterk uitziend lijf en een tanige oude kop met een vriendelijke glimlach. Onverstoorbaar begon hij zijn spullen uit te laden- een takkenbos, houtjes, touw. Ik hielp hem met tillen, zette een tafel voor hem neer en vroeg of hij koffie wilde. ‘Neuj maitie,’ dat hoefde niet, hij had al gehad. Aan de slag ging hij.
Daar gingen de stramme benen over het hek. Hij glimlachte breed naar me en zei: ‘Dat kan ik nog wel, hoor.’
De oude man en zijn ‘boenders’, oftewel een soort heksenbezempjes, waren een doorslaand succes en ik had niet anders verwacht, omdat ik hem op dorpsfeesten al bezig had gezien. De kinderen stonden rijendik opgesteld om hun eigen boendertje met hem te maken. En hij, de boendermaker met de dooraderde handen en de lijnen in zijn gezicht, 88 jaar oud hoorde ik later, stond twee uur lang achter zijn tafel om al die kinderen van hun bezempje te voorzien. Hij liet zich slechts eenmaal een broodje en koffie aan praten. Werken deden zijn handen, achter elkaar vlogen de bezempjes over de tafel.
Aan het eind van het feest zag ik dat hij zijn auto achter het hek van de school parkeerde, omdat hij niet door de mensenmassa op het plein heen kon. En hup, daar gingen de stramme benen over het hek. Ik keek blijkbaar verbaasd, want hij glimlachte breed naar me en zei: ‘Dat kan ik nog wel, hoor.’
Ik hielp hem zijn spullen over het hek te tillen, gaf hem een bos bloemen en kadobonnen en bedankte hem. Waarop hij me aankeek met zijn ijsblauwe ogen, en zei: ‘Ik heb het geweldig gevonden, werkelijk heel fijn. Fantastisch.’
En ik bloosde, want daar hoorde ik mijn eigen woorden terug, maar hij meende het oprecht. Dat zag ik aan zijn verbazingwekkend jonge blauwe ogen.
De boendermaker. Dat hij nog maar lang zijn ambacht uit mag oefenen.
Esther Donkers



heerlijk om te lezen
Hallo Esther,
een van mijn collega’s wees mij op ‘de boendermaker’. Ik wist niet dat er nog echte boendermakers bestonden. De meneer die jij hebt uitgenodigd is vast een van de laatste der mohicanen.
Sinds mei 2001 bestaat het familieblad De Boendermaker waarvan ik de hoofdredacteur (wat een groot woord) ben. Dit blad verschijnt 2x per jaar.
Vind je het goed dat jouw ‘de boendermaker’ in het najaarsnummer van De Boendermaker wordt geplaatst?
Hartelijke groeten,
Simone van Velze
Hallo Simone, ik vind het prima.