Argeloos stap ik het tehuis binnen. Op de eerste verdieping huisvest wekelijks de organisatie die bevoegd is om mijn lichaam op legale wijze wat buisjes bloed te ontnemen. En dat is blijkbaar nodig, want de huisarts wil iets controleren.
Ik zwaai energiek de deur open, maar stok onmiddellijk, mijn adem spontaan inhoudend. Ik sta oog in oog met een grote groep bejaarden. Een aantal kijkt mij welwillend aan, maar ik zie ook vele ogen die mijn blik als onbestelbaar retourneren. Leeg, flets en starend.
Het is mij direct duidelijk waarom de bloedzuigers zich hier wekelijks huisvesten. De opkomst is gigantisch en de gemiddelde leeftijd ligt zeer hoog, ik zie dat ik de jongste ben in het gezelschap.
“U moet wel een nummertje trekken!”, krijst een zeer fragiel wijffie met schelle stem. Ik heb haar blijkbaar beledigd met mijn onbezonnen binnenkomst, waarbij ik al op weg was naar de laatste lege stoel in de rij.
Ik brom wat en slof terug naar een kaartjesautomaat, die zeer verdekt staat opgesteld, het nummertje tot mij nemend. Ik hoor instemmend gemompel. Blij dat de kwestie naar tevredenheid is afgedaan ga ik weer op weg naar de eerder beoogde stoel. Een andere opoe oppert halfzacht een rake opmerking in zwaar dialect. Het ontlokt de helft van de groep ingetogen gelach. Ik ben grappig.
Met een plof ga ik zitten en mijn ogen dwalen langs de lange rij zittenden. Een aantal hebben de pret nog in de ogen van de grap in het dialect. Ik ben wel blij dat ik deze mensen wat plezier kon gunnen.
Het is zeer stil nu, op het tikken van de verwarming en krachtige ademhalingen na. Ik voel me verzeild geraakt in een surrealistisch toekomstbeeld.
Langer blijft mijn blik kleven aan de personen die het kleine voorval totaal is ontgaan, de mensen die mijn eerdere blik al blanco beantwoordden. Het zijn er best veel. Velen in een rolstoel. Zitten. Kijken. Meer staren eigenlijk. De stilte is ook terug in het zaaltje waardoor luidruchtige en moeizame ademhalingen scherp tot mij doordringen. Ik probeer mijn eigen ademhaling mooi laag te houden, maar het hijgconcert heeft duidelijk invloed op me.
Wat benauwd sta ik op en loop even naar buiten, er zijn toch nog wel twintig mensen voor mij. De lachers van zoeven kijken mij verbijsterd na, alsof ik met volgekakte pantalon wegstrompel.
Buiten is de frisse lucht bijna schrijnend. Fiks stap ik wat in het rond. Een half uur later keer ik op mijn schreden terug.
Er heeft een merkbare verandering plaatsgevonden in het wachtlokaaltje. De oudere lachers zijn allemaal weg, ik zie slechts één nieuweling in deze categorie. De groep leegogen is weliswaar vernieuwd, maar drastisch uitgebreid. Blijkbaar zijn de wakkeren zo wakker om als eersten het nummertje te trekken uit de automaat.
Het is zeer stil nu, op het tikken van de verwarming en de eerder genoemde krachtige ademhalingen na. Ik voel me verzeild geraakt in een surrealistisch toekomstbeeld en vraag me af of deze wezens met lege blik nog mensen in hun periferie hebben die nog om ze geven. Slachtafval bij de slager, achtergelaten door mensen die zelf niet in de gaten hebben dat ze op een dag zelf zo oud zijn. Er zitten wel meer dan tien eenzame, lege zielen te wachten. Ik probeer zeer vriendelijk te kijken, maar krijg nul retour.
“Hai hai”, zegt het ene oude mevrouwtje dat ik nog inschaalde als bereikbaar, zonder aanleiding. Daarna is het weer muisstil. Een oude bibberige man draait het hoofd naar haar toe. Na enige seconden draait zijn hoofd weer in de oude stand. Er kleeft iets onduidelijks met een lange sliert aan ‘s mans neus.
Het zoemertje zoemt. Mijn nummer verschijnt. Bij de deur draai ik me nog eenmaal om en werp een laatste blik op de zielige groep en maak mij gehaast uit de voeten.
De naald voel ik amper prikken. Weer buiten is het inmiddels doordringend gaan regenen. Het tehuis is mooi gesitueerd, door de zeer stille straat slenter ik kletsnat naar de auto.
Gerard Jans




Oooh zielig! En tegelijkertijd moest ik wederom keihard lachen om je zinnen.